
Een beetje opruimen zou inderdaad geen kwaad kunnen, dacht Herbert. Hij zocht een mok die niet beschimmeld was. Die was er niet. Hoe lang zat hij hier nu al? Hij was de tijd een beetje kwijtgeraakt. Naar buiten kijkend kon hij vast stellen dat het winter was geworden. Het was best koud in de kamer.
Hij hoorde Katie en haar koffiekarretje voorbij komen. Katie sloffend, het karretje rinkelend. Blijkbaar klopte ze liever niet bij Herbert aan, ze ging meteen door naar de volgende deur.
Honderden keren had hij de ontmoeting met Katie herbeleefd. Elke keer kwam hij tot de conclusie dat zijn smeekbede angstaanjagend en ongeloofwaardig was geweest. Dat zou ook de enige verklaring zijn voor het verstoken blijven van koffie.
Herbert stond op vanachter zijn bureau, rechtte zijn rug en ging met zijn gezicht dicht tegen de landkaart die aan de muur hing staan. Hij zag de oceaan, haalde diep adem en liep toen, een beetje houterig, de gang op.
Katie kwam niet uit het aangrenzende kantoor.
‘Ka! kunnen we even praten?’
‘Moet dat nu? ik zit midden in mijn ronde’
‘Graag wel, loop even met me mee.’
Herbert liep naar het einde van de gang, eigenlijk wist hij niet waarom, maar er bleek een kopieerhok te zijn. Daar liep hij binnen, en Katie ook. De koffiekar bleef buiten staan. Hij had het warm gekregen. Hier had hij niet goed over nagedacht.
Voor hem stond de vrouw die zijn ondergang kon betekenen. Ze keek onaangedaan en afwachtend. Ongelofelijk, dacht Herbert, dat je zo kil kunt zijn, dat je zo naar een man die spartelt voor zijn leven kunt kijken. Dit is geen mens. Haar gezicht had ook iets blauwigs, nu hij beter keek.
‘Katie, waarom geef je mij geen koffie?’ Hij zei het iets onbeheerster dan hij had willen doen.
En zie haar nou knipperen met die vissenogen van der! dacht hij. En die bleke lippen die een beetje openhangen. Het doet haar niets! Hij was woedend.
‘Omdat je geen koffie, ja! lekkerbakkiedoetumijderookmaareen! hanger aan je deur hebt hangen.’
‘Oh’
‘Was dat het?’
‘Eh ja Ka..’
Katie liep het kopieerhok weer uit.
‘Fijne dag Ramon!’ ze zei het pinnig , Herbert dacht een ondertoon van spot te horen.Er kwam nog iemand het kopieerhok binnen. ‘Je had het licht wel aan kunnen doen, zo gaan ze nog denken dat jullie hier van alles uitspoken! hahaha’
Herbert liep langzaam terug naar zijn kamer. Hij pakte een hanger van de deur naast de zijne, en hing het aan de deurklink. Zijn overzichtelijke wereld was voor Herbert weer een onbegrijpelijke plek geworden.